Artikel: De beroemde Delftse bierindustrie van weleer

In de vijftiende eeuw was Delft met tweehonderd brouwerijen uitgegroeid tot veruit de belangrijkste bierproducent van Holland. Delft was niet alleen de grootste leverancier, maar leverde ook de beste kwaliteit bier. Het merendeel werd geëxporteerd, maar voor de bevolking van Delft was bier ook volksdrank nummer 1 en werd er van jong tot oud bier gedronken, omdat het “gezond” was.

De oudst bekende brouwerij stond naast de Oude Kerk op het Heilige Geest Kerkhof en wordt gedateerd op 1210. Het was een houten gebouw van acht bij acht meter. Het bier werd in die tijd thuis gebrouwen van haver aangevuld met gerst en tarwe met toevoeging van de bladeren van de gagelstruik. Alles groeide in de omgeving alsmede de turf waarmee de ketels gestookt werden. Door het veenwater kreeg het bier blijkbaar een aparte gewaardeerde smaak, waardoor het Delftse bier goed bekend stond.

Je zou kunnen zeggen, dat de Delftse bevolking veroordeeld was tot bier drinken in de Middeleeuwen, want er was geen alternatief. Er waren tot de zestiende eeuw geen waterputten, omdat ze niet in staat waren goed grondwater te bereiken door de lagen ophoging,afval en klei. Ook het opvangen van regenwater was geen goed idee, want de huizen hadden nog rieten daken en de regentonnen zaten dan ook vol stof en andere troep. Het makkelijkste was nog het drinken van het grachtenwater. Wat u zich moet afvragen is of u vandaag de dag wel water uit de grachten zou willen drinken. Sommige menen denken dat vroeger alles beter was, maar dat was niet het geval met het water van de Delftse grachten. Het drinken van het grachtenwater was dan ook zeer onverstandig. Wijn drinken was veel te duur en de VOC bestond nog niet om thee, koffie en cacao aan te voeren. U raadt het al: bier drinken was het enige alternatief. Het bier werd wel gebrouwen met water uit de grachten, maar dankzij het brouwproces werd dat water langdurig gekookt, waardoor de bacteriën gedood werden. Zodra de kinderen niet meer bij de moeder konden drinken, gingen ze ook aan het bier. Melk drinken was toen nog niet gezond, omdat het beperkt houdbaar was en de mensen ervan aan de diarree raakten, doordat ze nog niet resistent waren tegen de lactose in de koemelk.

Elke middeleeuwse stad had wel een of meer brouwerijen. Tot in de zeventiende eeuw werd dat nog op huishoudniveau gebrouwen. Dat de bierindustrie in Delft zo’n grote vlucht heeft genomen komt waarschijnlijk door een aantal factoren: de grondstoffen waren in de omgeving aanwezig, via waterwegen kon het bier gemakkelijk getransporteerd worden en Delft maakte de keuze voor bier in plaats van voor de lakenindustrie. Beide werden goed gescheiden van elkaar, want de lakenindustrie bevuilde het grachtenwater behoorlijk en werd alleen in het oosten van Delft toegestaan. Het vuile water werd via de Kromme watering richting Pijnacker afgevoerd. De bierindustrie bevond zich in het westen aan de Oude Delft, Voorstraat en Koornmarkt en waterde af via de Schie. Het verse water werd via de Nootdorpervaart met de in 1450 gebouwde Duyvelsgatmolen de Kantoorgracht opgepompt en richting Oude en Nieuwe Delft geleid. In 1494 was het aantal brouwerijen opgelopen tot 200. Produceerde Delft in 1514 ongeveer 350.000 vaten, in 1554 was dat opgelopen tot ruim 500.000 vaten, hetgeen meer dan 77 miljoen liter bier betekent.

Tegenwoordig staat een Belgisch biertje gelijk aan een lekkernij voor de kenners. Er zijn andere tijden geweest. De Belgen hebben lange tijd Delfts bier gedronken als lekkernij. De grote export van wel 80% van de productie ging onder meer naar de Zuidelijke Nederlanden. Toen in 1568 de Tachtigjarige Oorlog uitbrak, was dat een slechte zaak voor de afzet van het bier door het wegvallen van deze markt. Van lieverlede leidde dit tot de ondergang van de bierindustrie in Delft. In 1600 waren er nog 110 brouwerijen en tegen het einde van de Tachtigjarige Oorlog in 1647 nog maar 27. Dit aantal was in 1784 gedaald tot 3. Niet alleen de oorlog was hiervoor verantwoordelijk, maar ook het feit dat er meer concurrentie kwam van andere steden en het ontstaan van de VOC, waardoor de mensen thee, koffie en cacao gingen drinken. Ook wijn werd meer betaalbaar en men ging jenever en brandewijn drinken.

Het economische succes van het bier leverde ook veel werk en voorspoed op voor andere beroepen, zoals onder meer schippers, bierhandelaren, herbergiers, vatenmakers en bierkruiers. De laatste beroepsgroep was verenigd in een gilde en hun wachtlokaal stond tegen de Nieuwe Kerk. Op de pentekening uit 1867 is goed te zien hoe ze de wel meer dan 150 kilo wegende vaten op speciale karren vervoerden. De pentekening is vervaardigd naar een zeventiende eeuwse gevelsteen, die zich oorspronkelijk boven het bierkruiershuis aan de Markt bevond en nu in de muur van een binnenplaats van het Prinsenhof is terug te vinden. De vaten waren eigendom van de brouwers. Alhoewel ze gemerkt waren, raakten de brouwers vaten kwijt, omdat de mensen ze wel konden gebruiken als wastobbe, stoel, vat voor de inmaak of als pisvat. Er waren speciaal aangestelde personen, die deze vaten moesten opsporen. Het is niet bekend, of de teruggevonden pisvaten weer in gebruik werden genomen.

(Auteur: Sybrand de Jong – maart 2004)

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

* Copy This Password *

* Type Or Paste Password Here *

22.640 Spam Comments Blocked so far by Spam Free Wordpress

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>