Porceleyne Fles in Delft

Lees ook het artikel 350 Jaar Porceleyne Fles en het bericht 400 Jaar Exchange Delft – Jingdezhen.

De Koninklijke Porceleyne Fles is de enige overgeblevene van de ca. 32 aardewerkfabrieken die zich omstreeks het midden van de 17e eeuw in Delft bevonden.

Op welk tijdstip de eerste werkplaatsen ontstonden is niet met zekerheid bekend. Wij weten dat in andere plaatsen zoals b.v. Amsterdam, Haarlem en Middelburg reeds in de tweede helft van de 16e eeuw aardewerk werd gemaakt met meerkleurige decors op witte ondergrond in een techniek, die de Hollandse pottenbakkers hadden geleerd van hun Italiaanse collega’s. Vermoedelijk is pas aan het einde van de 16e eeuw het eerste bedrijf in Delft ontstaan. De situatie veranderde sterk toen de watergeuzen bij het buitmaken van Portugese “Kraken” bij de ladingen ook Chinees porselein vonden en dat naar Holland brachten (hiermede houdt ook de naam “Kraakporselein” verband), doch nog meer toen na de oprichting van de Oost-Indische Compagnie in 1602 de Hollanders dit porselein zelf in aanzienlijke hoeveelheden uit het Verre Oosten meebrachten. Dit porselein met blauwe decors op witte ondergrond viel hier zeer in de smaak en de Hollandse pottenbakkers trachtten dan ook al spoedig iets dergelijks te maken.

Porselein was een hier onbekende grondstof en dus werden pogingen gedaan om met inheemse klei het Oosterse product zo goed mogelijk te benaderen, hetgeen in een betrekkelijk klein aantal jaren lukte. Het was vooral in Delft en Rotterdam dat deze pogingen werden gedaan en toen men eenmaal slaagde, breidde het aantal bedrijven in deze steden zich sterk uit, zodat Rotterdam het uiteindelijk tot 12 en Delft tot ca. 32 fabriekjes bracht.

Deze ontwikkeling vond in de eerste helft van de 17e eeuw plaats. Waarom deze beide steden zo sterk op de voorgrond traden, is niet geheel duidelijk. Misschien heeft voor Delft het feit dat daar een aantal gebouwen leeg stonden als gevolg van het in die stad te gronde gaan van brouwerijen mede een rol gespeeld. Zo werd dan ook in 1653 “De Porceleyne Fles” opgericht door David Anthonisz. v.d. Pieth aan het Oosteinde in Delft. Reeds na twee jaar ging de plateelbakkerij over in handen van Wouter van Eenhoorn en Quirinus van Kleijnoven. Wouter van Eenhoorn was in de eerste plaats zakenman en had financiële belangen in meerdere Delftse plateelbakkerijen waaronder “De Griekse A”, “De 3 vergulde Astonnekes”, “Het Hooge Huys” en “De Paeuw”. Zakelijk eigenaar van een bedrijf betekende in die tijd niet dat zo iemand ook daadwerkelijk deelnam aan de productie bijvoorbeeld als meester-pottenbakker of meester-schilder. Daarvoor moesten eerst Gildeproeven worden afgelegd.

Nog steeds is er uitermate weinig bekend over de zakelijke en vaak ook over de artistieke resultaten van de diverse bedrijven gedurende bepaalde tijdvakken en staan ons slechts aan- en verkoopakten, contracten e.d. ten dienste om conclusies te trekken.

Wij kunnen dan ook slechts vermoeden dat gedurende de periode dat “De Porceleyne Fles” in het bezit was van Van Kleijnoven en Van Eenhoorn de fabriek zich in een grote bloei mocht verheugen en mede behoorde tot de vooraanstaande bedrijven. Van Eenhoorn verkocht in 1663 zijn aandeel aan Van Kleijnoven die vanaf dat ogenblik dus alleen eigenaar was. Na Van Kleijnovens dood in 1695 zette zijn weduwe gedurende enige jaren het bedrijf voort, doch verkocht het in 1697 aan Johannes Knotter die voor het eerst het potje als merk introduceerde.

In 1701 deed Knotter het bedrijf echter alweer over aan Marcelis de Vlugt. Ook de Vlugt moet zelf geen pottenbakker of plateelschilder zijn geweest, want van hem is geen enkel stuk bekend. Daarom zal hij de meester-schilder, Jan Sixtus van der Hoeck, in dienst genomen hebben die bekend was om zijn zeer fraaie decoraties. In 1750 gaat het bedrijf over in handen van Christoffel van Doorne, die reeds in 1762 overleed waarop zijn zoon eigenaar werd. Pieter van Doorne overleed in 1770; zijn weduwe verkocht in 1771 “De Porceleyne Fles” aan Jacobus Harlees. In zijn ingeschreven merk verschijnt na 70 jaar (sinds Knotter) weer het flesje dat sindsdien een onderdeel van ons merkteken gebleven is. Na Harlees’ dood in 1786 ging de fabriek over in handen van zijn zoon Dirck. De ongunstige tijden in de periode van de Franse revolutie en bezetting kon Dirck niet het hoofd bieden en hij verkocht in 1804 de fabriek aan Henricus Arnoldus Piccardt, die in 1849 werd opgevolgd door zijn dochter G.V.M.A. Piccardt.

De Delftse industrie kreeg in de loop van de 18e eeuw meer en meer met allerlei moeilijkheden te kampen. Allereerst was het de ontdekkling van de porseleinaarde en de verspreiding van het porselein in Europa, een product dat voor het Delfts een lastige mededinger werd. Daarna volgde in 1746 door de Engelsman Cookworthy de vinding van witbakkende klei dat een product opleverde dat in vele opzichten superieur was aan het Delftse. Op dit aardewerk hoefde dus geen wit-dekkende glazuur te worden aangebracht en de meer verfijnde decoratie werd nu bedekt met een transparante glazuur.

Aan het einde van de 19e eeuw was nog slechts een pover restant over van het eens zo bloeiende ambacht. Slechts Piccardt slaagde erin het hoofd boven water te houden, zij het dan ook dat hij de vervaardiging van het oud Delfts in belangrijke mate moest opgeven en overging tot massaproductie van goedkoop gedrukt aardewerk.

In 1876 kocht een Delfts ingenieur, Joost Thooft, de fabriek met de bedoeling de oude traditie, de vervaardiging van blauw Delfts, weer in ere te herstellen. Hij zag in dat daarbij niet de oude wegen moesten worden bewandeld. Het oudere brossere aardewerktype was geheel in diskrediet geraakt en zou zeker geen groot succes kunnen boeken. Ook hij zocht en vond de oplossing in het gebruik van een samenstelling in de geest van het witte harde en taaiere Engelse aardewerk. Samen met Abel Labouchere met wie hij in 1884 associeerde slaagde hij erin een product te vervaardigen dat over de gehele wereld een goede naam verkreeg.

Joost Thooft voegde aan het merk zijn monogram JT en het woord “Delft” toe. Hij stierf op de leeftijd van 46 jaar en Abel Labouchere zette de fabriek alleen voort. In 1904 werd het bedrijf omgezet in een naamloze vennootschap. Als blijk van waardering voor de pogingen die de onderneming sinds 1876 in het werk gesteld had om de naam van Delft en die van de keramische industrie in het algemeen in ere te herstellen, werd in 1919 het predicaat “Koninklijk” verleend.

 

Share

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

* Copy This Password *

* Type Or Paste Password Here *

22.640 Spam Comments Blocked so far by Spam Free Wordpress

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>